Persoonlijke instellingen

Stappenplan decoderinbouw

Uit BeneluxSpoor.net - Encyclopedie
Versie door Martin Hilvers (overleg | bijdragen) op 25 jun 2019 om 12:07
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken
Hoofdpagina  Categorie-index  Index  Menu
Vorige | Volgende

Onder redactie van: BeneluxSpoor.net / Auteur: Fred Eikelboom



Dit is een stappenplan voor het inbouwen van een decoder in een analoge loc. Bouw een decoder pas in wanneer de loc analoog onberispelijk rijdt, anders heeft het inbouwen van een decoder weinig zin. Dit leidt alleen maar tot ergernissen.

De voorbereiding

Mechanisch en elektrisch dient de loc in onberispelijke staat te zijn. Let daarbij op het volgende:

  • De overbrenging van motor naar wielen dient soepel te lopen. Controleer dat er nergens een 'zwaar punt' aanwezig is. Smeer de tandwielen en de assen met speciaal daarvoor bedoeld vet (gebruik daarvoor zeker geen slaolie!)
  • De stroomafname van de wielen dient 100% te zijn. Eventueel de wielcontacten en de wielen reinigen. Dit gaat prima met spaarzaam aangebrachte contactspray, verwijder eerst eventuele haartjes en pluisjes die zich tussen wielcontact en wiel verzameld kunnen hebben.
  • Kijk ook of alle wielcontacten (de stroomafnemers) de wielen goed blijven raken bij zijdelingse verschuiving van de as (controleer dit in beide richtingen). Eventueel de wielcontacten voorzichtig iets bijbuigen.
  • Bij locs met koppelstangen (bijvoorbeeld de Hippel) of drijfstangen (stoomlocs) dient te worden gecontroleerd of het mechanisme niet verbogen is en of alles soepel kan bewegen (eventueel een heel klein beetje teflonolie of slotspray aanbrengen).

Controle van de motor

Alvorens een decoder in te gaan bouwen, moet de loc analoog goed en betrouwbaar lopen. Tevens dient de loc goed ingelopen te zijn.

  • Controleer de lengte en toestand van de koolborstels, ze mogen niet van ongelijke lengte zijn, of te kort, of onder de olie/vet zitten. Vervang ze bij twijfel.
  • Laat de loc na vervangen van de koolborstels een half uur op halve snelheid achteruit rijden, daarna een half uur op halve snelheid vooruit.
  • Controleer of de koolborstels vrij in de houders kunnen bewegen.
  • Controleer de koperen collector op schade door inbranden (putjes en/of groeven).
  • Maak de spleten tussen de lamellen die in de lengterichting van het anker liggen vrij van koolstof met een houten cocktailprikker en reinig de collector daarna met wasbenzine.
  • Controleer of de motor niet (te) zwaar loopt. Smeer eventueel de motorlagers met heel weinig olie.
Let-op.jpg
  LET OP
Laat de motor, na het reinigen met wasbenzine (of een ander brandbaar goedje) eerst een poosje drogen, vóór er spanning op te zetten, vanwege brandgevaar!

Isolatie van de koolborstelhouders

Op het internet wordt vaak genoemd dat 'de motor geïsoleerd moet worden'. Dat is niet juist! De motor (het motorhuis) mag gerust verbinding maken met het frame van de loc. Waar het hier om gaat is dat de koolborstelhouders van de motor geen elektrisch contact mogen maken met het motorhuis en/of het locframe. Vóór het inbouwen van een locdecoder moet er op gelet worden dat dat niet het geval is, ook niet via ontstoorcondensatoren en -spoelen. Pas daarna mag de oranje en de grijze draad op de koolborstelhouder gemonteerd worden. Indien er na het inbouwen van de decoder nog een verbinding van één van de koolborstels naar het motorhuis en/of het frame van de loc aanwezig is, zal de decoder meteen defect raken, zodra er spanning op wordt gezet!

Motorschild-ReinierT-01.jpg Motorschild-Michael-01.jpg Motorschild-PKramer-01.jpg
Afbeelding: 01 Afbeelding: 02 Afbeelding: 03
Niet geïsoleerd motorschild Niet geïsoleerd motorschild Geïsoleerd motorschild (bestelnr: 00504738)
Foto gemaakt door: Reinier T. Foto gemaakt door: Michael Foto gemaakt door: Peter Kramer


Bij oudere Fleischmannmotoren is één koolborstelhouder met het locschild verbonden en maakt daardoor ook contact met het locframe. Zoals te zien is op foto 01, is de rechter koolborstelhouder geïsoleerd gemonteerd. De linker koolborstelhouder maakt echter contact met het metalen locschild. Foto 02 is ook van een niet-geïsoleerd motorschild. Hier is de linker koolborstelhouder met het locschild verbonden. Een dergelijk motorschild (zoals te zien op foto 01 en 02) moet worden vervangen door een geïsoleerd exemplaar (zie foto 03). Het is voor een beetje doe-het-zelver ook mogelijk om zelf de koolborstelhouder te isoleren (zie Forum bij 'Meer informatie'). Om het probleem sneller op te lossen, kan het motorschild worden vervangen door een Fleischmann exemplaar met aangebouwde NEM-connector (bestelnr: 00504738). In die connector kan zonder meer een 6-polige decoderstekker gestoken worden.

Voor het aansluiten van decoders op Fleischmannmotoren zie 'Decoder aansluiten op locschild bij Fleischmann motoren' bij 'Meer informatie').

Let-op.jpg
  LET OP
Verbind nooit een decoder met de motoraansluitingen als er een verbinding is tussen de koolborstels en het motorhuis en/of het locframe, want de decoder overleeft dit niet!!

Doormeten met een multimeter op het Ω of continuïteitsbereik kan bevestigen dat er absoluut geen verbinding aanwezig is. De multimeter dient een oneindig hoge waarde aan te geven en mag niet 'piepen'.

Ontstoringscomponenten verwijderen

In een analoge loc zijn 'af fabriek' condensatoren en smoorspoelen aangebracht. Deze onderdelen vormen de wettelijk verplichte ontstoring (zie afbeelding 04). De spoelen en de condensatoren vormen een LC-filter dat voorkomt dat stoorsignalen van de motor zich kunnen verspreiden. Zonder dit filter is op een radio afgestemd op het AM-bereik een ratelend geluid te horen.

Ontstoring-analoog01.gif Ontstoring-analoog02.gif
Afbeelding: 04 Afbeelding: 05
De wettelijk verplichte ontstoring De smoorspoelen en de condensator verwijderd
Schema gemaakt door: Fred Eikelboom Schema gemaakt door: Fred Eikelboom

Bij het digitaliseren van een loc moeten de condensatoren die over de motoraansluitingen zijn gemonteerd, altijd verwijderd worden omdat deze condensatoren het PWM signaal afvlakken. Soms zijn er ook condensatoren aanwezig tussen de afzonderlijke koolborstelaansluitingen en het frame (bijv. bij Märklin locs). Die twee condensatoren naar het frame moeten ook verwijderd worden.

De smoorspoelen, die op de motoraansluitingen zijn gemonteerd, moeten ook verwijderd worden, tenzij de decoderfabrikant aangeeft dat de smoorspoelen aanwezig moeten blijven (zie daarvoor de gebruiksaanwijzing van de decoder).

In diverse gebruiksaanwijzingen staat uitdrukkelijk aangegeven: "Op de motor zijn ontstoringsmiddelen, bestaande uit condensatoren en smoorspoelen, aangesloten. Bouw deze ontstoringsmiddelen uit."

Wat hier door de fabrikant soms vergeten wordt te vermelden, is dat wanneer een smoorspoel verwijderd wordt er geen elektrische verbinding meer is met de motor. Bij een loc met een NEM-connector moet in plaats van de smoorspoel een stukje blanke draad worden gemonteerd tussen de punten A1 en B1 en ook tussen de punten A2 en B2 (zie afbeelding 05). Wat ook kan, is heel simpel over de smoorspoel een stukje blank draad solderen, eventueel aan de onderzijde van de print. De smoorspoel wordt dan kortgesloten. Zorg er hierbij wel voor dat het blanke draadje geen andere metaaldelen raakt. Bij locs zonder NEM-connector kunnen de stukjes draad weggelaten worden en kunnen de oranje en de grijze draden van de decoder op de punten B1 en B2 worden gesoldeerd.

Condensatoren en smoorspoelen bij Märklin-locs

Märklin heeft in zijn locs soms drie condensatoren gemonteerd, één zit direct tussen beide koolborstels en twee zitten er tussen de afzonderlijke koolborstelaansluitingen en de locmassa (het frame). Die twee condensatoren naar de locmassa moeten verwijderd worden, evenals de condensator die over de koolborstelaansluitingen gemonteerd is, anders wordt het PWM signaal (van de decoder naar de motor) deels kortgesloten naar massa en dan loopt de motor zeer slecht en/of is de decoder zeer slecht af te regelen.

Het inbouwen van de locdecoder

Zorg dat de decoder de stroom van de motor ruim aankan (zie 'Meten van de motorstroom vóór het inbouwen van een decoder' bij 'Meer informatie').

Verwijder een eventueel aanwezige dummy NEM-plug en controleer, met behulp van een multimeter, nogmaals of de koolborstelaansluitingen van de motor nergens contact maken met andere bedrading of met het frame van de loc. De koolborstelaansluitingen van de motor mogen alleen maar aangesloten zijn op de oranje en grijze decoderdraden. Als dit in orde is, kan de decoder worden aangesloten. Er zijn nu twee mogelijkheden:

  1. De loc is niet voorzien van een NEM-connector; ga dan verder bij Locs die niet voorzien zijn van een NEM-connector.
  2. De loc is wel voorzien van een NEM-connector), zie NEM651, NEM652, NEM658, NEM660 of NEM662.

Verwijder voorzichtig de dummystekker. Daarna is het heel gemakkelijk: duw de NEM-steker van de decoder op de juiste wijze voorzichtig in de connector. Op de print staat meestal een merkteken, een sterretje (*) of een pijltje (>), die pin nummer 1 aangeeft.

6-polige NEM-aansluiting

Nem6-polig.gif
Afbeelding: 06
Het pijltje geeft pin 1 aan
Tekening gemaakt door: Fred Eikelboom

8-polige NEM-aansluiting

Nem-aansluit.gif
Afbeelding: 07
De connector op de locprint
Tekening gemaakt door: Fred Eikelboom


In de huidige locs zit vaak deze 8-polige aansluiting (zie afbeelding 05). Hieronder is deze aansluiting vergroot weergegeven.

Nem8-contra.gif
Afbeelding: 08
Het sterretje geeft pin 1 aan
Tekening gemaakt door: Fred Eikelboom


Indien het merkteken een sterretje (*) is, zorg dan dat de oranje draad vlak bij het sterretje komt te zitten (zie afbeelding 08). Staat er een pijltje, zoals in afbeelding 06 hierboven, dan moet de decoder vanaf de rechterkant tegenover het pijltje komen. Zie vVervolg bij 'Bevestiging van de decoder'.

Locs die niet voorzien zijn van een NEM-connector

Is de loc niet voorzien van een NEM-connector, dan moeten de draden van de decoder op de juiste punten worden aangesloten door ze vast te solderen. Gebruik bij het solderen uitsluitend harskernsoldeer (geen soldeer'vet') en een soldeerbout met een vermogen van ongeveer 18 tot 20 watt. Indien de soldeerbout een te hoog vermogen heeft, bestaat het risico dat er onderdelen smelten/beschadigen!

(let op! Sommige elektromotoren kunnen maar weinig hebben wanneer de koolborstelaansluitingen te lang verhit worden).

Tip:

  • Indien er led-verlichting in de loc zit, controleer dan even met een multimeter wat de plus en min kant van de led-aansluitingen zijn. Dat voorkomt onnodig opnieuw solderen wanneer later blijkt dat de bedrading verkeerd om zit.

De drempelspanning van de led

De vuistregel is ongeveer 2 volt voor (normale) rode, gele, oranje en groene leds en 3 volt voor (warm) witte, blauwe en high efficiency groene leds. Wilt u het exact weten, dan kunt u deze waardes vinden via Google in de datasheet.

Door het verschil in drempelspanning kunnen witte (3 volt) en rode leds (2 volt) niet samen in serie worden geschakeld. Beide kleuren leds krijgen dan namelijk dezelfde stroomsterkte en dat kon nog wel eens een heel uiteenlopende helderheid opleveren! Sluit dus rode en witte leds altijd via een eigen voorschakelweerstand aan.

Bevestiging van de decoder

Bevestig de decoder met zo weinig mogelijk dubbelzijdig tape (er moet zo veel mogelijk koellucht bij de decoder kunnen komen). Smalle stripjes dubbelzijdige tape zijn het beste. In verband met de noodzakelijke koeling van de decoder verdient het ten zeerste aanbeveling om - indien de decoder schuin of verticaal geplaatst wordt - de stripjes dubbelzijdige tape ook in verticale richting te plaatsen, zodat de koellucht onbelemmerd langs de decoder kan stromen.

De spanningsvoorziening

De rechter rail, gezien in de rijrichting, is de plus (+) en de linker rail dus de min (-). Zie afbeelding 09 hieronder. Begin altijd met het aansluiten van de rode en de zwarte draden. De rode draad komt aan de rechterwielen van de loc. De zwarte draad komt aan de linkerwielen van de loc (zie punt A1 en A2 in afbeelding 05).


Rijricht.gif
Afbeelding: 09
De rijrichting
Tekening gemaakt door: Fred Eikelboom

Informatie over cab. 1 en cab. 2 bij de diverse locs/treinstellen met twee cabines; de cabine met nummer 1 is de voorzijde van de loc. Bij het grootspoor is dit aangegeven met het (kleine) cijfer 1 of 2 onder de cabinedeur. Vaak is er in de cabine ook een sticker (met cab. 1 of cab. 2) aanwezig, op de middelste raamstijl van de cabine. Bij trek/duwtreinen, is de 1700-loc met cab. 1 tegen de trein geplaatst, omdat het stuurstandrijtuig het nummer 1 heeft. De 1700 is dus zo gekoppeld dat de zijde met cab. 2 de bediende cabine van de lok is. Bij een 1600, 1700 of 1800 is het ook herkenbaar aan de grote dak-unit.

De motoraansluitingen

De oranje draad gaat naar de + (plus)kant van de motor. De grijze draad gaat naar de — (min)kant van de motor. De plus-kant van de motoraansluitingen is die aansluiting waarbij, als de plusaansluiting van een 4,5 V batterij er op aangesloten is, de loc vooruit rijdt. (Let op! Test dit niet met de decoder aangesloten, want daar kan de decoder absoluut niet tegen.)

Test nu eerst of de loc wil rijden met aangesloten decoder. Zorgen dat alle loshangende draden nergens tegenaan komen, dus eventueel eerst isoleren. Ook is het verstandig om de decoder zelf te isoleren, met bijvoorbeeld een stukje krimpkous.

Zet de loc op het programmeerspoor (of op de hoofdbaan. Wanneer de centrale geen programmeerspooraansluiting heeft, verwijder dan eerst alle overige locs en rijtuigen waarin een decoder zit van de hoofdbaan en geef de loc een adres (in CV1 een nummer schrijven). Stel op de centrale het aantal rijstappen in en stel op de decoder hetzelfde aantal rijstappen in (CV29). Kies in de centrale de loc met dat adres en kijk of de loc goed vooruit en achteruit wil rijden. Moet de loc vooruit rijden volgens de centrale, maar rijdt deze de verkeerde kant op, dan de positie van de oranje en grijze draad op de motor omwisselen. Het zou overigens voor kunnen komen dat in CV29 de rijrichting omgekeerd ingesteld staat (bijvoorbeeld bij een al eerder in een andere loc gebruikte decoder). Dan CV29 volgens de gebruiksaanwijzing instellen (meestal CV29 = 2).

De verlichting

Sluit de verlichting pas aan wanneer bovenstaande in orde is. Waarom? Stel dat alle bedrading in één keer is aangesloten later blijkt dat de loc niet wil rijden door een defecte decoder. Dan moet alles weer los. Controleer (indien er lampjes in de loc zitten) of de lampjes vrij zijn van het chassis. Is dat niet het geval, kijk dan in de gebruiksaanwijzing van uw decoder hoe u het dan aan moet sluiten.

- Frontverlichting

De frontverlichting ('het frontsein') wordt als volgt aangesloten: de blauwe plus-draad gaat naar alle leds of lamp(en). De witte min-draad van de decoder komt aan de andere zijde van de leds of lamp(en), deze schakelt naar massa. Bij gebruik van leds deze altijd via een voorschakelweerstand c.q. serieweerstand aansluiten!

Controleer na het aansluiten van het frontsein of de frontverlichting brandt en of de verlichting overeenkomt met de rijrichting. Als dit in orde is kunnen de rode leds (of lampen) aan de voorzijde worden aangesloten op de gele min-draad. Ook deze verlichting controleren op juiste werking. Komt de verlichting nu niet overeen met de rijrichting, dan moet een decoder-CV worden aangepast, dit staat hierboven al aangegeven maar (als het goed is) ook in de gebruiksaanwijzing.

- Achterverlichting

De achterverlichting ('sluitsein(en)') worden als volgt aangesloten: de blauwe plus-draad gaat naar alle leds of lamp(en). De witte min-draad van de decoder komt aan de -kant (kathode) van de leds (of aan de lamp). Nu weer controleren of dit ook goed werkt.

Het frontsein aan de achterzijde komt aan de gele min-draad. Controleer als laatste alle verlichting op juiste werking.

Leds2.gif Leds6.gif
Afbeelding: 10 Afbeelding: 11
De leds parallel aansluiten op de decoder De leds in serie aansluiten op de decoder
Schema gemaakt door: Fred Eikelboom Schema gemaakt door: Fred Eikelboom

In schema 10 en 11 is aangegeven hoe de leds als front- en sluitseinen op de decoder kunnen worden aangesloten. De weerstanden worden allemaal op de blauwe draad (de plus) aangesloten. De anodes van de leds worden met de weerstanden verbonden. De kathodes van de leds worden via de gele of witte draad aan de massa geschakeld.

Aan de voorzijde van de loc moeten de beide frontseinen op de witte draad aangesloten zijn en de beide rode sluitseinen op de gele draad.

Aan de achterzijde van de loc moeten de beide frontseinen op de gele draad aangesloten zijn en de beide rode sluitseinen op de witte draad. Nu zal de verlichting op de juiste wijze omschakelen bij veranderen van rijrichting.

De weerstanden van de rode sluitseinen hebben een grotere waarde dan de weerstanden van de frontseinen, omdat de sluitseinen geen schijnwerpers hoeven te zijn.

Indien de loc voorzien is van lichtgeleiders en de led achter een lichtgeleider wordt geplaatst, kan het zijn dat een tussenliggende weerstandswaarde (bijv. 1k8) voor het sluitsein moet worden gebruikt, dit omdat de lichtgeleider niet alle licht van de led doorlaat. Dit komt door de beide overgangen tussen lucht en lichtgeleider aan weerszijden van de lichtgeleider.

De aansluitvolgorde

Leds3.gif Leds5.gif
Afbeelding: 12 Afbeelding: 13
Andere volgorde van weerstand en leds. Andere volgorde van weerstand en leds.
Schema gemaakt door: Fred Eikelboom Schema gemaakt door: Fred Eikelboom

De volgorde van een led en bijbehorende weerstand maakt niets uit. Natuurlijk wel op voorwaarde dat er verder geen aftakkingen zijn. Het is dus ook volgens afbeelding 12 en 13 aan te sluiten. Het ligt er maar net aan wat het beste uitkomt.

De berekening van de waarde van de (in de tekeningen getoonde) voorschakelweerstanden van de leds staat in het artikel 'Minimale led voorschakelweerstand berekenen' (zie 'Meer informatie').

Schakeling van de lampen in de locomotief

Lampen2.gif
Afbeelding: 14
De standaard lampenaansluiting
Tekening gemaakt door: Fred Eikelboom

Lampen zijn aan te sluiten volgens het schema in afbeelding 14. Na een laatste controle kan de bedrading netjes met dun garen worden gebundeld zodat er bij het terugplaatsen van de kap geen draadjes klem komen te zitten.

Kijk uit voor oververhitting

Let op bij aanwezigheid van gloeilampjes! Deze worden na inbouw van een decoder aanmerkelijk heter (omdat ze, via de decoder, een hogere digitale spanning krijgen. De kans is niet denkbeeldig dat er schade aan de kap ontstaat door smeltend kunststof. Indien de loc gloeilampjes heeft met E5.5 fitting, dan zijn deze gloeilampjes beter te vervangen door leds met E5.5 schroefdraad, bijvoorbeeld de Conrad 725763-89. Deze zijn geschikt voor 12V= (gelijkspanning). Er moet dus een voorschakelweerstand (serieweerstand) gebruikt worden om deze E5.5 leds te kunnen gebruiken. Ook Viesmann levert leds met E5.5 fitting onder art.nr 6019. Deze zijn geschikt voor max. 16V=. Ook hier moet een voorschakelweerstand toegepast worden.


Meer informatie

Encyclopedie:
Meer informatie over condensatoren en smoorspoelen.
Forum:
Meer informatie over het aanpassen van het locschild bij Fleischmann motoren.
Externe website:
Decoder aansluiten op locschild bij Fleischmann motoren (pdf).
Inbouwvoorbeelden decoders.
Inbouwvoorbeelden decoders.
Inbouwvoorbeelden decoders (schaal N).
Handige CV instellingen (en calculator voor lange adressen).
Calculator voor lange adressen.

Gerelateerde termen: Märklin, Marklin, Maerklin, Mærklin



Hoofdpagina  Categorie-index  Index  Menu
Vorige | Volgende
Contact met de redactie: Contact met de redactie 

Laatste wijziging: 25 juni 2019 12:53 (CEST)